Kip

A: Mammoetvlees op een bedje van rucola?
B: Ja, sst, doe nou rustig. Straks denken ze nog dat je het niet genoeg vindt of zo. Iedereen kijkt naar ons.
A: Ik bedoel mammoetvlees? Serieus?
B: Nou ja, niet echt natuurlijk. Kweekvlees.
A: Maar het smaakt wel net zo?
B: Zie ik eruit als een prehistorische jager?
A: Je weet best wat ik bedoel.
B: O ja? Nou, ze zeggen dat het precies zo smaakt. Het smaakt een beetje naar kip, vind ik.
A: Waarom zeggen mensen dat altijd? Alsof alles naar kip smaakt.
B: Oké, ik weet het goed gemaakt. Het smaakt een beetje naar olifant. Beter?
A: Nou in dat geval. Je hebt me overtuigd. Mammoetvlees op een bedje van rucola it is.
B: Ik weet het nog zo net niet.
A: Hebben ze ook mensenvlees?
B: Ben je gek. Je gaat toch geen mensenvlees eten?
A: En waarom niet? Er is niemand aan doodgegaan.
B: Ja, maar mensenvlees.
A: En? Het schijnt een beetje naar kip te smaken.

Hamer en glas

hij wil door de dag heen glitchen
en als eerste bij de avond zijn

op blote voeten (sluipend) naar buiten

pastelwolken paren boven
de lege stad
het stille gras

nu is
hij het niet
nu is
de wereld van glas

nu is
zijn ingehouden adem
de geheven hamer

Een toerist bij de gracht

ze kijkt niet
ze maakt een foto
zodat ze later
haar dromen kan laten drogen
in de donkere kamer

dan ziet ze pas
de duikende eend
het klimmende groen
de lezer in zijn erker

dan hoort ze pas
fietswielen ratelen
een putdeksel klepperen
een klok klingelen in de verte

dan ruikt ze pas
de juliwind
deo en zweet
de weeë geur van water

dan voelt ze pas
dat ze daar was
en nu is het later

Onopvallende Peugeots

Ze zeiden – nee, mijn vader zei – dat de vrouw die elke morgen op het elektriciteitskastje in onze straat zat te roken vroeger een piraat was geweest. Een moderne piraat met een speedboot die de Middellandse Zee over had gecrosst om de jachten van de superrijken te overvallen. Ze nam dan hun boten in en gooide hen in zee.
‘En dan bleven ze natuurlijk een tijdje drijven,’ vertelde mijn vader dan, ‘want ze waren zo vet. Maar als ze dan hun met kaviaar en Normandische boter gevulde fazant moesten missen, vielen ze snel genoeg af. Waarna ze zonken en verdronken. Als ze dan uiteindelijk aanspoelden op de kust, herkende niemand ze nog als die dikke rijkaards.’

Mijn vader had een verhaal over iedereen in het dorp. Een wandeling met hem werd al snel een gevaarlijke tocht langs ex-piraten, huurmoordenaars en dubbelspionnen die naar je loerden vanachter elk raam, kleren recht hingen in de Hema en rond reden in onopvallende Peugeots.
‘Maar het ziet er allemaal zo gewoon uit,’ zei ik een keer. Mijn vader stond abrupt stil, viel op zijn knieën en greep me bij mijn schouders.
‘Zo sussen ze je in slaap,’ siste hij. ‘Zie je die mevrouw?’ Hij wees naar een oude vrouw die de petunia’s op haar balkon water aan het geven was met een gieter in de vorm van een flamingo. ‘Heeft miljarden achterovergedrukt toen ze werkte als financieel manager bij het WNF.’ Hij stond weer op en klopte het zand van zijn broek. ‘Dat de tijger bijna is uitgestorven is haar schuld. En hij.’ Hij priemde met zijn vinger naar een jongetje (nauwelijks ouder dan ik) dat aan een kauwgomballenautomaat rammelde. ‘Hij heeft zijn tweelingbroertje in de baarmoeder gewurgd, omdat die een scheet had gelaten.’ Het jongetje keek onze kant uit en ik keek snel naar beneden. Mijn vader greep mijn hand vast, ‘Kom,’ en trok me akelig dicht langs de wurger. ‘De kapper wacht. Als hij je niet scalpeert voor zijn verzameling, dan gaan we daarna een ijsje eten, goed?’ Ik knikte, maar eigenlijk was ik bang voor de man van de ijssalon. Sinds mijn vader me had verteld van het gif dat hij elke dag door een andere smaak roerde, smaakten de ijsjes niet meer zo.

Het slaaplied van de walvis

de onophoudelijke regen tikte tegen de oceaan
de waterslak klampte zich vast aan de rotswand
en luisterde naar het metrum van de regen
en het voorzichtige zingen
van de babywalvis die zijn moeder kwijt was

het was nacht en de regen tikte en de walvis zong
een half herinnerd lied
de oceaan suisde zo’n beetje
de maan ruiste
de regen tikte
en de walvis zong maar
was de woorden vergeten

susse wunnelie oewawawa

de waterslak strekte zijn lijf en viel in slaap
de oceaan ademde rustig
de maan dommelde
en de regen sliep
en de walvis zong zijn moeders lied

leniadiewoeoeoe

en hij kon niet slapen

Mensenstek

door zonzin was de muur
een mensenstek geworden
tot hun schouders hingen bloemen blauwe haren

het had iets
geruststellends
moeten hebben

maar men mompelzong

we heffen de glazen
lege glazen
brengen een toost uit
verbrand en wel
we zingen een liedje
ieder een ander
we zijn gelukkig
geweest

Hommage aan Willink

Wat zo angstaanjagend was aan het park – met zijn bladloze gazons, zijn brede lanen, zijn eivormig geknipte bomen, zijn vierkante vijvers en zijn in de zomerzon glimmende beelden – was dat het er zo leeg was. Geen hardlopers, geen flanerende stelletjes, geen uitgezakte bankouderen, geen jengelende kleuters, zelfs geen tuinman om deze overdreven aangeharktheid te behouden. Het enige dat bewoog waren de traag knipperende oogleden van de reiger, die op één been in een droge fontein stond.

Stadsleven

als jij door mij
met op ogen op papier droomt
krijgt om ons heen het soort stad vorm
dat nergens/overal bestaat

waar in linnen gevouwen stenen
in steegjes worden uitgewisseld
en duiven sterke verhalen vertellen
aan wie in de nacht het raam open zet
om de was te drogen
eronder spelen kinderen met kreeften
klak klak de scharen laten bewegen
hun harten voeden zich aan maanlicht
en koeken met kruimels
die ratten grootbrengen
scharrelend in kelders van kunstlicht

een wereld om een luik voor te doen
en in stilte
in het gras
over thee te drinken
want wat gebeurt er nu echt?