Het boek met alle waarheden

Het was op het moment dat hij die zaterdag, tegen zijn gewoonte in, de gordijnen openschoof dat hij het Boek met alle waarheden ontdekte. Het lag schuin bovenop de monografie van Escher en hij had kunnen zweren dat het er de vorige dag nog niet had gelegen, maar aan de andere kant: wanneer was de laatste keer dat hij daar had gekeken? Hij pakte het met beide handen van zijn plek en sloeg het open, waarbij de ingedroogde kaft bij de rug spleet. Daar stond het nog een keer, op de titelpagina, Boek met alle waarheden. Het was gedrukt in 1952 door Uitgeverij Pool in Amsterdam. Hoe was het op zijn plank beland? Hij kende elk boek dat daar lag. Het waren er ook niet zoveel. Zou een van zijn vrienden het er stiekem hebben neergeleden bij het naar de wc gaan na de kroketborrel gisteren? Dan was het vast Geeske geweest. Hij sloeg de titelpagina om en begon te lezen. “Dit is het boek met alle waarheden. Dat is de eerste waarheid. In dit boek staat geen enkele leugen.” Zou het een grap zijn? Of het werk van een gek? Eigenlijk zonde om verder te lezen. Als hij niet verder las, kon hij zich nog voorstellen dat het echt het boek met alle waarheden was. Hij sloot het en bestuudeerde nog een keer de titel, keek toen op alsof hij controleerde alsof niemand hem bespiedde, wat absurd was, want wie zou hem bespieden in zijn studioappartementje op drie hoog met nauwelijks genoeg ruimte voor hemzelf, een plank, een bed, een kast, een stoel, een bureau met een laptop en een stapel vette pannen? Hij keek naar koekenpan waar hij drie dagen geleden spek in had gebakken, liet zijn blik weer langzaam dalen naar het boek in zijn handen. Hij plofte met het boek op bed en sloot de gordijnen weer. “Dit is het boek met alle waarheden. Dat is de eerste waarheid. In dit boek staat geen enkele leugen. Maar waarom zou je het van me aannemen? Laat me het bewijzen door je iets over jezelf te vertellen.” Hij moest een beetje lachen. Hij had het misgehad, dit was geen grap of het boek van een gek, dit was een boek over cold reading. Zo gingen ze hem iets vertellen over dat hij wist dat hij best competent was, maar dat hij zich toch soms onzeker voelde. Of dat hij veel houdt van zijn vrienden, ook al vraagt hij zich soms of wie nou zijn echte vrienden zijn. Of dat hij zich soms onbegrepen voelde. Algemeenheden waar iedereen zich in kan herkennen. “… bewijzen door je iets over jezelf te vertellen. Je bent geboren op 3 januari 1995.” Als hij water in zijn mond had gehad had hij het nu over zichzelf heen gespuugd. Of als het cola was geweest, was dat nu op een hele pijnlijke manier uit zijn neusgaten komen druipen. Maar gelukkig was geen van beide het geval. Hij verslikte zich alleen maar in wat speeksel, zodat hij even moest hoesten voor hij verder kon lezen. “Je eerste herinnering is aan de poep die je vond in de zandbak in de speeltuin op de hoek van de Wilgenlaan toen je nauwelijks twee jaar was. Je wist niet wat het was en om erachter te komen moest je er natuurlijk even van proeven. Elke keer als je je dit herinnert, ga je naar de dichtstbijzijnde kraan om je mond te spoelen.” Hij was al halverwege de kamer terwijl hij dit las en met zijn mond onder de kraan las hij verder. “Geloof je me al? Dat waren toch niet de algemeenheden die je verwachtte? Tussen haakjes: natuurlijk geloof je me. In het Boek van alle waarheden is geen plek voor vragen. Hier staan alleen maar antwoorden. Het was een rethorische vraag, zodat je je even kunt schamen dat je aan mij twijfelde.” Wie was die mij eigenlijk? Hij draaide het boek om, maar er stond geen schrijver op de kaft of de rug. Ook niet op de titelpagina. “Nu vraag je je af wie ik eigenlijk ben. Je hebt het al geraden, dus ik vind het niet nodig het ook nog eens voor je uit te spellen. Ja, geef het maar toe, je weet het best.” Hij stopte even met lezen om het boek neer te leggen op het aanrecht en een voor een zijn handen aan zijn spijkerbroek af te vegen. “En nu maak je je zorgen over alle slechte dingen die je ooit hebt gedaan en gedacht, slechte dingen waarvan je hoopte dat niemand ze gezien of gehoord heeft. Maar ik heb ze gezien. Ik heb ze gehoord. Maar maak je geen zorgen, je hebt hele normale gedachten. Jij hebt nog nooit iets in de verste verte origineels gedacht, Rory de Boer.” Hij leunde zwaar op het aanrecht. “Maar laten we dat iets goeds noemen. Dit boek gaat overigens verder niet over jou. Jij bent maar een heel klein gedeelte van het grotere geheel. Jij bent één mens van …” Nu moest hij toch even in zijn ogen wrijven. Het getal bewoog. Tikte elke seconde hoger en hoger. “Ik ben hier om je alle waarheden te vertellen. En we hebben al genoeg tijd verspilt. Laten we beginnen. En wel met de belangrijkste waarheid.”

Ver zijn tijd vooruit

Een krappe huiskamer. B, een man van middelbare leeftijd, ligt op zijn rug in het bed dat nogal onhandig pontificaal in het midden staat. Hij luistert naar iets door zijn koptelefoon. Er ligt een grote stapel onbeschreven papier naast hem. Hij pakt steeds een vel, scheurt het in kleine stukjes en laat die stukjes liggen waar ze neerkomen. Boven het bed hangt een kroonluchter waarvan één lamp doorgebrand is. A, de vrouw van B, staat op een ladder die lamp te vervangen.

A: Het idee is als volgt. Het wordt een toneelstuk dat onuitvoerbaar is. Compleet onuitvoerbaar. En ik bedoel op alle niveaus. Dus allereerst wordt het ongelooflijk kostbaar. We laten maar één bezoeker naar binnen, want die komt midden op het podium te zitten. Hijzij zit op het podium en alles gebeurt om hemhaar heen. En dat alles wordt natuurlijk ook onbetaalbaar, dus we slepen allereerst tenminste honderd acteurs tegelijk het podium op. En een olifant. Dat is toch altijd de klassieker? Een olifant?

A is klaar met de lamp en daalt de trap weer af.

A: B, luister je wel?

B zet zijn koptelefoon af en stopt voor een moment met scheuren.

B: Sorry, zei je wat?
A: Ik ga een olifant en honderd acteurs op het podium zetten.
B: Goed idee.
A: Jij vindt alles een goed idee.
B: Ja, nee, echt, moet je doen.

B zet de koptelefoon weer op en gaat weer verder met scheuren.

A: Denk je? B?

Er valt weer een lamp uit. A ziet het, reageert helemaal niet verbaasd of geïrriteerd, alsof dit wel honderd keer per dag gebeurd. Gaat alleen weg om de oude lamp, die ze nog vastheeft, weg te brengen en een nieuwe lamp te halen.

A: Oké, ik praat wel tegen mezelf. Ik weet toch wel wat je gaat zeggen, dus dat vul ik wel in. Het wordt een spektakel, moet je voorstellen. En niet omdat dat nodig is, maar omdat het kan. Of niet kan, moet ik zeggen.

A klimt met de nieuwe lamp op de ladder en begint de kapotte te vervangen. B wordt steeds verder bedolven onder het papier.

A: Weet je wat ze deden toen Becket’s Wachten op Godot voor het eerst in de schouwburg was? Je hebt dat stuk, weet je wel, waarin Vladimir of Estragon, weet even niet meer welk van de twee, bedenkt dat ze wel aan een touw in de boom kunnen gaan hangen. Aan hun nek, geloof ik. Niet zich verhangen, of wel, maar heel rustig alsof het alleen maar een manier is om de tijd te doden in plaats van jezelf. Maar ze moesten eerst een touw hebben en dat hadden ze niet. En toen ze dat voor het eerst speelden toen riep iemand vanuit het publiek: “Breng hem een touw!” Ja, ze waren er geen fan van.

Ze slaagt erin en klimt met de oude lamp omlaag en brengt hem weg.

A: En hoeheetieookalweer van Sacre du printemps, dat stampen in een balletvoorstelling als een stel wilden, nou dat hadden die keurige Parijsenaars natuurlijk nog nooit gezien. En nu zeggen we van allebei dat het ver zijn tijd vooruit was. En wat hebben ze gemeen?

A komt terug om de ladder te halen en weg te zetten.

A: De publieke woede. Je moet ze boos maken. Pas als je ze boos maakt, dan weet je dat je iets te pakken hebt. Iets nieuws, iets bijzonders, iets wat nog niemand eerder heeft gedaan. Ze moeten het haten. Ze moeten beledigd zijn. Ze moeten met hun vuisten tegen hun slapen slaan, zodat ze het niet meer hoeven horen. Ze moeten met elkaar gaan vechten, niet omdat ze het oneens zijn, maar omdat ze die woede ergens op moeten uiten en als niet op zichzelf dan wel op de buurman die al de hele tijd zo vervelend zijn neus zit op te halen. Ja, zoiets ga ik schrijven. En er komt necrofilie in voor en pedofilie en er wordt een echt mens opgegeten op het podium. Misschien eten ze het publiek wel op. Ja! Dat ga ik schrijven.

Er valt weer een lamp uit. A komt weer terug met de ladder. Net als ze hem uit heeft geklapt, gaat de deurbel. Ze loopt weg om hem open te doen. B kijkt haar na en doet zijn koptelefoon af.

B: Hé, kom je die rommel nog opruimen?

Alle lampen vallen uit.

Schoenpoetser

Elk goed verhaal begint met een schoenpoetser verdwaald in een bos in een wereld zonder schoenen. Hij weet niet hoe hij daar terecht is gekomen. Hij kent niet de wetten van de maan, hij is niet vrienden met het mosmonster en hij weet niet waar het water stroomt. Hij weet alleen hoe je schoenen moet poetsen.

Vragen en antwoorden

Ik zat op de trein van 09:06 te wachten, die niet kwam. Iemand had een vrouw ingehuurd om vragen te stellen aan alle mensen die wachtten op treinen die wel of niet kwamen.
‘Waarom?’ vroeg ze bijvoorbeeld en ze gaf ons een kwartier om erover na te denken. De man met de Pietje Bellmuts, die naast me zat, wist zeker dat het antwoord iets met poedels te maken had, maar toen ze vroeg ‘Hoezo dan?’ verviel hij in een diep gepeins waar ik hem niet meer uit heb zien komen, omdat de trein van 09:36 wel kwam. ‘Waartoe?’ hoorde ik de vrouw nog net zeggen, voordat de deuren sloten, de trein in beweging kwam en zij werd opgeslokt door een pilaar en de pilaar door het station en het station door de trein die een bocht door reed. Ik ging zitten en bevrijdde een Metro die klem zat achter mijn tafeltje om te lezen over de levensfilosofie van Johan Cruijff. En weet je wat het is? Hij had helemaal gelijk.

Kip

A: Mammoetvlees op een bedje van rucola?
B: Ja, sst, doe nou rustig. Straks denken ze nog dat je het niet genoeg vindt of zo. Iedereen kijkt naar ons.
A: Ik bedoel mammoetvlees? Serieus?
B: Nou ja, niet echt natuurlijk. Kweekvlees.
A: Maar het smaakt wel net zo?
B: Zie ik eruit als een prehistorische jager?
A: Je weet best wat ik bedoel.
B: O ja? Nou, ze zeggen dat het precies zo smaakt. Het smaakt een beetje naar kip, vind ik.
A: Waarom zeggen mensen dat altijd? Alsof alles naar kip smaakt.
B: Oké, ik weet het goed gemaakt. Het smaakt een beetje naar olifant. Beter?
A: Nou in dat geval. Je hebt me overtuigd. Mammoetvlees op een bedje van rucola it is.
B: Ik weet het nog zo net niet.
A: Hebben ze ook mensenvlees?
B: Ben je gek. Je gaat toch geen mensenvlees eten?
A: En waarom niet? Er is niemand aan doodgegaan.
B: Ja, maar mensenvlees.
A: En? Het schijnt een beetje naar kip te smaken.

Hamer en glas

hij wil door de dag heen glitchen
en als eerste bij de avond zijn

op blote voeten (sluipend) naar buiten

pastelwolken paren boven
de lege stad
het stille gras

nu is
hij het niet
nu is
de wereld van glas

nu is
zijn ingehouden adem
de geheven hamer

Een toerist bij de gracht

ze kijkt niet
ze maakt een foto
zodat ze later
haar dromen kan laten drogen
in de donkere kamer

dan ziet ze pas
de duikende eend
het klimmende groen
de lezer in zijn erker

dan hoort ze pas
fietswielen ratelen
een putdeksel klepperen
een klok klingelen in de verte

dan ruikt ze pas
de juliwind
deo en zweet
de weeë geur van water

dan voelt ze pas
dat ze daar was
en nu is het later