Eén/1/I goede zin

ook
          als ik
                    maar
          één/1/I goede zin heb
          spin
          ik
          hem
          uit
          tot
                              een heel gedicht

Een soort kennis / bekend(e)

ik wil het weten van wie er al jaren zit
de tegels moeten voor haar ogen zijn gaan barsten
de witte lijnen verkruimelen
ze ziet de mensen niet

als op een oude foto
wordt alleen het traagste zichtbaar
ooit was er een emmer
nu alleen een emmervormige waas
en de vrouw zelf (in de spiegel)
alleen haar gezicht is leesbaar
tussen golven kleren

wat er te lezen is
staat weer in een ander gedicht

wat ik wilde weten:

stranddagenzomer, een jaartal

de tijd is losgetornd en rafelt in de wind
                                                        op het strand
                                                        in het zand
                                             ruikt nu zout en
                                                             naar rot hout
we eten boterhammen met banaan (en zand)
we vinden een krabbenpoot

mijn moeder doet haar best dit onvergetelijk te maken
maar ik weet nu al
dat iemand er met deze herinnering vandoor zal gaan

Alleen

wil ik dan misschien
wil je dan misschien
met je spiegelbeeld op stap
met mijn spiegelbeeld op stap
kletsen in de tram
en in het aquarium zoek ik de donkerste bakken
in het café een glimmende bar of desnoods de wc
dit is
dit is
gezellig hè?
gezellig hè?

Trein, in gezelschap van een neergelegd boek

Ik weet niet of ik hier eerder ben geweest, maar de regen houdt me binnen zoals. De regen wikkelt een cocon om me heen. (Tenminste, als het lukt de fluitende trein te negeren.) Ik stel me voor dat rupsen boeddhisten worden als ze ingerold zitten, omdat er zoveel tijd is om iets los te laten. Misschien helpt dat later. Fladderen en sterven.

De deur gaat open, maar er komt niemand binnen. Dit is een eindstation. Alleen ik wacht op een vertrek.

Ik lieg. Er komt wel iemand binnen. Hij gaat gelijk weer weg.

Hemel valt

het regent in G-majeur
herinner door de deur een tentflap
het dak het doek
het schelle licht een zaklamp aan een koordje

het animatieteam in poncho verkondigt:
het regent
hou je adem in
hoor een engel vallen

Ik ben het minst kapot van iedereen die ik ken

alles schittert
om niet te vervelen
om niet te vervalen
blijf jong blijf jong blijf jong
als je maar vaak genoeg zegt
WAAR EEN WIL IS IS EEN WEG
JE BENT MOOI EN BLIJFT EEUWIG LEVEN
IN JE HART IS HET NU
en het leven vervaalt zo
verhaalt toch weer vaak zo
laten we het refrein spelen
zing je mee? je kent het wel

en ze werd geboren
en ze ging weer dood
en ergens daar nog tussendoor
at ze heel veel brood
en ze werd geboren
en ze ging weer dood
en ergens daar nog tussendoor
voer ze in een boot
en ze werd geboren
en ze ging weer dood
en ergens daar nog tussendoor
lag ze in de goot
en ze werd geboren
en ze ging weer dood
en als ze dan weer dood ging
bungelend aan de zolder hing
dan voelden wij ons even heel erg groot

want dames en heren koeken en peren hier gebeurt het jazeker

laat het allemaal maar gebeuren
de innerlijke roerselen
de onzin die daar woont

er woonde heel veel onzin in haar hoofd
en de hele dag was ze bezig daar iets zinnigs van te maken
zodat ze zouden zeggen: zo die is best wel slim
laten we haar op een voetstuk zetten
en klappen als ze kijkt
laten we dat doen
ja laten we doen
laten we dat
als je dat maar laat

en we staan in het krijt
er loopt een krijtspoor van hier tot gunder
en ik zou gunder wel eens willen zien
maar dat witte krijt op dat witte zout
en zo lopen we in rondjes
onder de krijsende hemel
de hemel krijst
het krijst
het krijst
er moet altijd iets krijsen
om je rust te behouden
nog nooit zo rustig gevoelt als onder deze hemel
op dit zout in deze krijtdampen
kruitdampen er breekt een oorlog uit in mijn brein er breekt een oorlog uit in mijn gedachten er breekt een oorlog uit misschien kan ik ooit zeggen het is oorlog laten we nooit zeggen dat het oorlog is als we het niet zeggen dan kan het niet gebeuren als we het niet zien dan bestaat het niet

Tot je nieuw leven vindt

Marjana hield met haar ene hand de pols van haar andere hand in de houdgreep, alsof ze die hand ervoor moest behoeden een gat te slaan in het glas tussen ons en het steeds sneller klein wordende overslagstation van Titaan.
‘Vertel iets,’ zei ze. ‘Iets van thuis.’ Ze keek niemand in het bijzonder aan en niemand reageerde. ´Alsjeblieft,´ mompelde ze tegen de steren. En omdat de sterren ook niet antwoordden, voelde ik in mijn zakken naar de tekening van de alien met het groene waterhoofd.
‘Mijn zoon heeft een tekening gemaakt. Toen ik hem vertelde van onze missie, ging hij-’
‘Nee nee.’ Marjana liet haar pols los om het gespreksonderwerp weg te wapperen als een vervelende vlieg. ‘Dat bedoel ik niet. Vertel een verhaal.’
‘Er was eens,’ begon ik en ik probeerde met alle macht aan een vrolijk sprookje te denken, maar er kwam iets heel anders in me op, ‘een vreselijke kapitein.’ Ik keek om me heen. Iedereen staarde nog steeds naar buiten, ook al was het overslagstation nu echt definitief uit het zicht verdwenen. ‘Nu horen jullie te zeggen: heb je het over jezelf?´ Stenen gezichten. Stilte. Ik schraapte mijn keel. ‘Een vreselijke kapitein dus. Want hij moest en zou de snelste kapitein van de zeven zeeën zijn. Toen hij dus hoorde dat een schip in de recordtijd van vier maanden naar Indië was gevaren moest en zou het het in drie klaarspelen. De eerste weken van huis voeren ze alsof een draak hen op de hielen zat. Maar bij de Kaap de Goede Hoop kwamen ze in woest water terecht. Een storm stak op. Het was het soort storm dat een zeeman maar één keer in zijn leven meemaakt. En vaak is het ook gelijk zijn laatste storm. De mannen smeekten hun kapitein om de zeilen te strijken, maar hij wist dat als hij dat zou doen, hij nooit op tijd in Indië zou zijn. “Doorvaren,” brulde hij tegen de storm in. En zijn ogen glinsterden als zwarte kevers. “Doorvaren, al moeten we blijven varen tot de dag des oordeels.” En iemand moet zijn woorden hebben gehoord. Want tot op de dag van vandaag, als het vreselijk waait en de golven beuken en trekken, kun je in de verte een schim zien varen van een zeventiende-eeuws schip. Voor altijd gevangen in de storm.’ Ik slikte het dikke speeksel dat zich in mijn mond had opgehoopt weg. ´Oké, genoeg ge-’
‘Dat is onze missie,’ onderbrak Marjana me. ‘Doorvaren tot de dag des oordeels.’
Ik begon te lachen, maar stopte gelijk toen ik haar gezicht zag. Ze keek me aan zonder te knipperen, alsof ze een visioen had gezien, en er lag geen enkele spoor van spot in de rimpels rond haar lippen. Mijn ogen schoten naar de vloer en daarna naar het raam. Marjana draaide zich weer om en keek ook. ‘Vlieg,’ zei Marjana zacht, in een herhaling van onze opdracht. ‘Vlieg tot je nieuw leven vindt.’ Stil staarden we nu allemaal naar buiten, naar de oceaan van sterren die we bevoeren. Vlieg. Vlieg tot je nieuw leven vindt. En ineens wist ik zeker dat we alleen waren. Alleen in dit oneindige universum.

Monologue interieur

ik wilde nog iets zeggen
wilde ik nog iets zeggen
iets zeggen wilde ik nog
nog wilde ik iets zeggen
zeggen iets ik wilde nog
nog ik iets wilde zeggen
iets zeggen ik wilde nog
nog ik zeggen wilde iets
ik wilde nog iets zeggen
wilde ik iets zeggen nog
nog zeggen ik wilde iets
ik wilde iets ik wilde nog iets zeggen iets