Twaalf uur

We hadden niet door dat het al bijna twaalf uur was. Anders hadden we nooit ingestemd met nog een spel.
‘Nu ben ik de tijger,’ zei Mark en hij haakte het masker achter zijn oren. Hij gromde en wij renden lachend een stukje van hem vandaan. Alleen Daantje rende niet weg. Zij greep de onderste tak van de boom waar Mark bij stond en trok zich omhoog met het gemak alsof het een turntoestel was.
‘Nou, veel plezier, jongens,’ zei ze en ze salueerde. ‘Succes met die tijger.’
‘Je weet dat tijgers kunnen klimmen, hè?’ Mark greep de onderste tak van de boom en zette een voet op een knoest. Daantje klom nog een stukje hoger.
‘Kom me halen dan, vetzak,’ riep ze omlaag. Mark hees zich op. Het masker bleef achter een takje haken. Even was er een gevecht tussen masker en takje. Toen brak het takje. ‘Zijn alle tijgers zo sloom?’ vroeg Daantje.
Mark keek omhoog. Het masker staarde strak naar Daantje. In het wisselende licht van de lantaarns tussen de trillende takken door leek de tijgerkop te bewegen. Mark gromde nog een keer. Toen sloeg de kerkklok twaalf.

De wet van Moore

A: Wat zei je tegen de computer?
B: Je weet wat ik zei. Wat is er?
A: Ben ik perfect?
B: Natuurlijk ben je perfect. Waar komt dit ineens vandaan?
A: De wet van Moore stelt dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt.
B: Wat?
A: Computers worden steeds beter. Dat is toch zo?
B: Ja, oké. Wat heeft dat met ons te maken?
A: Wat zou de computer voor je maken als je nu zou vragen om de perfecte partner?
B: Schatje. Ik hou van je.
A: Draai niet om de vraag heen.
B: Ik draai niet om de vraag heen.
A: Maar de wet van Moore…
B: Oké. Jou.
A: De wet van Moore stelt dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt.

Letterlijk

Hij had geen vliegende haast, dus hij ging lopen. Hij zag er altijd als een berg tegenop zijn veren in te vetten en bij te knippen.
‘Vliegen,’ kreunden de bergen waar hij doorheen trok instemmend , ‘daar zou ik ik ook tegenop zien. En lopen. Lopen ook.’ De bergen waren even stil. Heel even maar. ‘En staan,’ vervolgden ze. ‘Staan nog het meest.’
De reiziger bleef staan en keek om zich heen.
‘Maar jullie staan zelf.’
‘Staan? Echt niet.’ De bergen schudden hun toppen zo hard dat de sneeuw de reiziger om de oren vloog. ‘Het idee! Wij zitten. Dat zie je toch zelf?’

Orpheus

Welk verhaal stopt de wolken met overwaaien? Welk gedicht laat de vogels luisteren? Geen verhaal dat jij kunt schrijven. Geen gedicht dat jij ooit hebt gehoord. Maar er wordt gezegd… ik heb horen vertellen… nee, ik weet.

Een bankje. Een vrouw erop. Wat stoffig. Verder geen karakterbeschrijving. Ze geeft de duiven stukjes van de restjes brood die ze in haar zakken vindt. Ze praat in zichzelf. Niet bang zijn. Kom dichterbij. Luister naar haar. Je weet waar het verhaal heengaat.
‘Muse, muse,’ mompelt ze.
En de duiven antwoorden: ‘Roekoe roekoe.’