Alleen in afstand kan ik dromen

1. afstand

bergen vragen niet te beklimmen
wegen niet te bewandelen
Aarde niet te bewonen
bos de bomen niet te zien

want de definitie van verlangen is afstand

2. verlangen

bij mijn oma hing een poster van een heuvel in Schotland
je kon zien dat het er koud was en lang geleden
het gras was gehard de stenen vaal
de lucht zo leeg dat je omhoog zou vallen
er gebeurde niets
en ook de volgende keer dat ik naar de poster keek
gebeurde er niets
er gebeurde niets
het niets gebeurde daar

3. nabijheid

dit is niet de heuvel uit mijn dromen
dit ruikt naar wind
de stenen liggen anders
de grassprieten zijn verre nazaten
het is zo kleurig allemaal
en mijn vriend vraagt wat ik wil met een heuvel
en of we weer gaan

het is geen teleurstelling
het is gewoon een andere heuvel
mijn heuvel ligt in een kast
opgerold
elastiek erom

Bushalte

het licht zeven frames per seconde
regenkevers op de weg
en IK word wereld
                       eeuwig
                       vrij

bevrijd van mezelf
begint de dans

kakadadafonie van beweging

de bus: nog twee minuten

Knekelboom

ze wil dat we haar in een boom begraven
takken haar kraken
kaken vermalen
knekels breken
beestjes haar eten

als ik vraag hoe dan
ik bedoel praktisch gezien
zegt ze dat het wel losloopt
want ze heeft ervan gedroomd

Leuke wetenschapsexperimenten voor de jonge onderzoeker

Elektriciteit kun je niet zien, maar je kunt het wel op een andere manier ervaren.

Benodigdheden:
– stopcontact
– takje
– roerstaafje
– schroevendraaier

Zorg eerst dat je ouders uit de kamer zijn. Die hebben misschien geen begrip voor een echte wetenschapper als jij en zullen je spannende onderzoek verstoren met typische uitspraken voor een wetenschapsanalfabeet als: “Niet doen, dat is gevaarlijk.” of “Wat de fuck doe je, Michael? Michael! MICHAEL! O mijn god, Michael, wat heb je gedaan?”.

Zijn ze weg? Steek dan het takje in het stopcontact. Als het goed is, gebeurt er niets. Niets zichtbaars in ieder geval. De elektronen (daar is elektriciteit van gemaakt) kunnen niet door het hout heenkomen. We zeggen dan: “het geleidt geen stroom”. Probeer nu het roerstaafje. Geleidt het? Nee, dat klopt, want het is plastic. Probeer als laatste de schroevendraaier. Gebeurt er nog niets? Heb je het plastic handvat soms vast? Dat geleidt niet, weet je nog? Probeer eens met je andere hand de metalen voorkant aan te raken.

Wat gebeurt er? Beschrijf hieronder wat je voelt:

——————————————————
——————————————————
——————————————————

Opa 2.0

Vanaf 3 begint hij op de klok te kijken.
1 over 3
2 over 3
3 over 3
Hij vindt het prettig iets te hebben waarvan hij kan zeggen: dat is nou mijn neurose.
4 over 3
5 over 3
Zijn lippen zeggen het mee.
6 over 3
7 over 3
Hij herinnert me eraan dat ik vooral niet naar buiten mag kijken.
‘Dan is de lol eraf, vind je niet?’
8 over 3
9 over 3
10 over 3 staat hij op.
‘Voorruit met de geit.’ (hij zegt het expres verkeerd)
En bouwt een vogelhuisje.
Hij: ‘Pimpelpestkopparadijs.’
Ik: ‘Voor pimpelmezen?’
Hij: ‘Hoe kom je daar nou bij?’
En dat er geen clou hoeft ze zijn. Alleen ik en hij. En een zwerm vogels.

Een goed leven

Uit de toetsing blijkt dat u in 3067 niet voor automatische levensverlenging in aanmerking komt, omdat:

U op 03-01-66 klaagde over de richting van de wind in plaats van uw zeilen aan te passen.
U op 30-01-66 de wereld probeerde te veranderen in plaats van uw gedachten.
U op 04-03-66 niet uw vandaag wilde opofferen voor uw morgen.
U op 17-05-66 niet de dingen deed waarvan u dacht dat u ze niet kon.
U op 12-10-66 niet dwaalde in mogelijkheid.
U op 12-10-66 de dag beoordeelde op wat u oogstte in plaats van wat u zaaide.

En er was

Hij kon er niets aan doen. Hij probeerde te ontspannen en aan vrolijke dingen te denken. Maar als hij een warme douche nam, dan stelde hij zich voor hoe een koude douche zou zijn, of een douche van kokend water. En als hij een kop thee dronk, dan dacht hij aan vergif. Hoe meer hij probeerde niet aan verschrikkelijke dingen te denken, hoe meer verschrikkelijke dingen hij dacht. Hij dacht aan trage moorden, aan wereldwegvagende overstromingen, hij dacht aan honger en aan kou. Soms waren zijn gedachten zo specifiek dat hij de gezichten haast voor zich kon zien.

Een meisje aan de rand van een gigantische kuil. Ze heeft beloofd stil te staan. Hier naast mama in de rij. En stil te zijn. Hier naast papa in de rij. Stil en niet naar de mannen kijken. Dan krijgt ze zo een chocolaatje.

En als hij de tv aanzette en ze zeiden er iets op als “Hoe kan er een liefdevolle god zijn met zoveel ellende in de wereld?” dan rolde hij zich op en drukte zijn gezicht in de kussens van de bank, zodat niemand hem zou horen huilen.

Goedemorgen

Hij wist natuurlijk best dat het onzin was, dat het nooit zou werken, dat het een stom idee was. Nee, erger dan dat, het was een ronduit debiel idee. Maar het was ook het enige idee dat hij had. Hij ging bij de fontein op de markt zitten en probeerde er nonchalant uit te zien. Zo nonchalant als iemand die goedemorgen zegt tegen volkomen vreemden. Hij was er niet zeker van dat hij er overtuigend uitzag, maar tot zijn verbazing kreeg hij op zijn meeste goedemorgens inderdaad iets terug.
‘Goedemorgen,’ zeiden ze dan. Of: ‘Hallo.’ Maar daar had hij natuurlijk niets aan.

Kijk, dit was het idee. Het stomme idee. Het debiele idee. Elke keer als iemand goedemorgen tegen je zegt, heb je een grotere kans ook daadwerkelijk een goede morgen te krijgen. Eén iemand maakt nog niet zoveel uit. Tien misschien al meer. Honderd… dan beginnen we ergens te komen. Zoals gezegd. Een stom idee. Maar het enige dat hij had.

Met 73 goedemorgens op zak stond hij op. De vrouw van de kibbeling was begonnen hem argwanende blikken toe te werpen. Hij stapte op zijn fiets en belde even later bij zijn vriendin aan. Ze deed open. Ze deed haar mond een paar keer open en dicht als een vis op het droge en zette toen een stap achteruit om hem binnen te laten. Hij glimlachte.
‘Goedemorgen.’
Het was een stom idee. Een debiel idee. Maar het enige dat hij had.

Twaalf uur

We hadden niet door dat het al bijna twaalf uur was. Anders hadden we nooit ingestemd met nog een spel.
‘Nu ben ik de tijger,’ zei Mark en hij haakte het masker achter zijn oren. Hij gromde en wij renden lachend een stukje van hem vandaan. Alleen Daantje rende niet weg. Zij greep de onderste tak van de boom waar Mark bij stond en trok zich omhoog met het gemak alsof het een turntoestel was.
‘Nou, veel plezier, jongens,’ zei ze en ze salueerde. ‘Succes met die tijger.’
‘Je weet dat tijgers kunnen klimmen, hè?’ Mark greep de onderste tak van de boom en zette een voet op een knoest. Daantje klom nog een stukje hoger.
‘Kom me halen dan, vetzak,’ riep ze omlaag. Mark hees zich op. Het masker bleef achter een takje haken. Even was er een gevecht tussen masker en takje. Toen brak het takje. ‘Zijn alle tijgers zo sloom?’ vroeg Daantje.
Mark keek omhoog. Het masker staarde strak naar Daantje. In het wisselende licht van de lantaarns tussen de trillende takken door leek de tijgerkop te bewegen. Mark gromde nog een keer. Toen sloeg de kerkklok twaalf.

De wet van Moore

A: Wat zei je tegen de computer?
B: Je weet wat ik zei. Wat is er?
A: Ben ik perfect?
B: Natuurlijk ben je perfect. Waar komt dit ineens vandaan?
A: De wet van Moore stelt dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt.
B: Wat?
A: Computers worden steeds beter. Dat is toch zo?
B: Ja, oké. Wat heeft dat met ons te maken?
A: Wat zou de computer voor je maken als je nu zou vragen om de perfecte partner?
B: Schatje. Ik hou van je.
A: Draai niet om de vraag heen.
B: Ik draai niet om de vraag heen.
A: Maar de wet van Moore…
B: Oké. Jou.
A: De wet van Moore stelt dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt.