Het slaaplied van de walvis

de onophoudelijke regen tikte tegen de oceaan
de waterslak klampte zich vast aan de rotswand
en luisterde naar het metrum van de regen
en het voorzichtige zingen
van de babywalvis die zijn moeder kwijt was

het was nacht en de regen tikte en de walvis zong
een half herinnerd lied
de oceaan suisde zo’n beetje
de maan ruiste
de regen tikte
en de walvis zong maar
was de woorden vergeten

susse wunnelie oewawawa

de waterslak strekte zijn lijf en viel in slaap
de oceaan ademde rustig
de maan dommelde
en de regen sliep
en de walvis zong zijn moeders lied

leniadiewoeoeoe

en hij kon niet slapen

Mensenstek

door zonzin was de muur
een mensenstek geworden
tot hun schouders hingen bloemen blauwe haren

het had iets
geruststellends
moeten hebben

maar men mompelzong

we heffen de glazen
lege glazen
brengen een toost uit
verbrand en wel
we zingen een liedje
ieder een ander
we zijn gelukkig
geweest

Hommage aan Willink

Wat zo angstaanjagend was aan het park – met zijn bladloze gazons, zijn brede lanen, zijn eivormig geknipte bomen, zijn vierkante vijvers en zijn in de zomerzon glimmende beelden – was dat het er zo leeg was. Geen hardlopers, geen flanerende stelletjes, geen uitgezakte bankouderen, geen jengelende kleuters, zelfs geen tuinman om deze overdreven aangeharktheid te behouden. Het enige dat bewoog waren de traag knipperende oogleden van de reiger, die op één been in een droge fontein stond.

Stadsleven

als jij door mij
met op ogen op papier droomt
krijgt om ons heen het soort stad vorm
dat nergens/overal bestaat

waar in linnen gevouwen stenen
in steegjes worden uitgewisseld
en duiven sterke verhalen vertellen
aan wie in de nacht het raam open zet
om de was te drogen
eronder spelen kinderen met kreeften
klak klak de scharen laten bewegen
hun harten voeden zich aan maanlicht
en koeken met kruimels
die ratten grootbrengen
scharrelend in kelders van kunstlicht

een wereld om een luik voor te doen
en in stilte
in het gras
over thee te drinken
want wat gebeurt er nu echt?

Om je ogen bij op te vreten

A: Mevrouw, madam, lady, ik schenk voor u de mooiste wijn. Zo rood en schuimend als nergens. Kom toch zitten. Ik heb kussens, ja pillows, cushions, terraswarming. Pretty please, mercy en bedankt. U kunt hier ook Spaans leren ja. Kijk maar. Ei, Oeuf, alles. Het staat op de kaart. Hier eten alleen de locals. Ja echt. Speciale prijs. Twintig euro en vissen die zo van uw platte weg zwemmen, zo vers en zout. En die wijn mevrouw, goed genoeg voor onze lieve heer zaliger. Kom toch zitten. Ik zal een liedje voor u zingen. Een lied als de sterren van uw ogen. Ga zitten. Ik breng pinda’s, olijven, broccoli, alles wat u wilt, lady. En een serenade. Vijftien euro. Mooiste olijven, groen en zwart als uw groenzwarte ogen. U maakt mij een dichter, mevrouw. Kom toch binnen. Tien euro. Lekker eten. Belle cuisine om je ogen bij op te vreten. Delicieux! Vijf euro dan. En water voor u, helemaal gratis. Madam, mevrouw, u maakt me gek. Ik maakt me arm. U maakt me failliet. Dit is het beste wat ik kan krijgen. Het beste wat er is. Madam, het vlees, het bloed voor u. Als mijn hart. Pretty please.

De vrouw loopt door.

Madam, madam!

Ze is buiten gehoorafstand.

Bitch.

Wolkentorens

ergens raast iemand van B naar C
waar hij wolkentorens op moet trekken

stel je voor een wereld
stel je voor de wereld
stel je voor de hei

een hazelworm glipt onder een stapel takken
een hagedis ademt met zijn groene buik
tegen het hete zand
licht
valt zwaar op de armen van de berk
in het ven kraakt een kikker
nog een kikker
nog een kikker

wolkentorens
waaien
ver
voorbij

Pepermuntje

A: Wil je een pepermuntje?
B: Waarom vraag je dat?
A: Omdat ik je een pepermuntje gun?
B: Nee, dat is niet waarom.
A: Waarom vraag je dan waarom ik dat vraag, als je het antwoord al weet?
B: Ik had dus gelijk. Er is een reden.
A: Wil je nou een pepermuntje of niet?
B: Waar zit je naar te vissen?
A: Nergens naar. Jezus.
B: Waarom dan ineens zo agressief? Als je nergens naar zit te vissen? Als het echt om dat stomme pepermuntje van je gaat?
A: Weet je wat? Je krijgt geen pepermuntje van me. Ik eet ze allemaal zelf op.
B: Zie je wel.

Iemand bier?

A, B en C zitten naast hun bestelbusje op de bosgrond. Avond. Ze zitten tussen de resten van een snelle maaltijd: plastic kant en klaar. Wegwerpbordjes. Een toren van blikjes bier staat nog ongeopend naast hen. B speurt met een verrekijker de bomen af.

A: Dus vertel van je tentoonstelling.
B: Het doet het goed. Loopt goed. Niemand koopt wat.
A: Mag C het zelf vertellen?
C: Nee, nee, dankje, doe geen moeite. Ik zag net een kraai geloof ik.
B: Waar?
C: Of een raaf misschien.
B: Een kauw?
A: Hou je van vogels?
B: Grappig dat je erover begint.
A: Ik bedoelde eigenlijk C.
C: Ik wil het wel horen denk ik.
A: Ja, ik ook. Dat bedoelde ik ook niet.
C: Daar. Daar in die eik. Dacht ik.
B: Een kauw.
A: O, dat zei C al. Knap hoor, C, dat je dat ziet.
C: Dat zei B.

Beat.


A: Ik ga een stukje lopen even.
C: Tot zo.
A: Ga je niet mee?
C: Ik zit wel lekker.
A: Volgens mij is daar ergens een vennetje.
B: Hij zit wel lekker.
A: Ja, ik eigenlijk ook wel. Als je het zo stelt.
B: Natuurlijk.
C: Iemand bier?