Er was eens een man die het geluk wilde vangen. Hij wist dat geluk zit in kleine dingen, dus hij nam een leeg pindakaaspotje, ging op pad en stopte alle kleine dingen die hij onderweg vond in dat potje. Een paperclip, een boomblad, een hommel, een handvol rode bessen, een natgeregend visitekaartje, allemaal verdwenen ze in het potje. Toen hij moe was van het zoeken ging hij op zijn zij in het gras liggen met het potje naast zich en hij keek naar de hommel die met haar vleugels ingeklapt op het blad zat. Hij tikte tegen het potje en heel even ontvouwde de hommel haar vleugels en liet de zon ze glimmen. Hij bleef naar haar kijken tot hij in slaap viel en hij droomde van alle kleine, gelukkige dingen die hij kende. Toen hij wakker werd, keek hij gelijk naar zijn potje en hij zag dat de hommel dood onderin lag. Hij draaide de deksel los en het rook naar muf en rot en dood. Ach, dacht hij, geluk is vluchtig. Hij stond op, veegde wat gras van zijn broek en ging verder om nieuw geluk te zoeken. Hij floot erbij.